
LANG LEVE HET EUROPEES PROVINCIALISME
Academievoorzitter Paul Schnabel herkent
veel in de stelling die de laureaat van dit jaar de Academie
heeft voorgelegd. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP),
waarvan hij directeur is, bracht vorig jaar een rapport uit
waarin precies hetzelfde levensgevoel werd beschreven. ‘Het is zoeken naar een
wereld die zacht van binnen en hard van buiten is’, herhaalt
hij de formulering van het SCP. ‘Het is een wereld als
een Middeleeuws kasteel. We zitten gezellig met z’n allen
op de binnenplaats. We rijgen een varken aan het spit. Er is
zang en dans. Maar bínnen de muren, met de brug omhoog,
alleen voor onszelf.’
De Academievoorzitter
dankt de laureaat voor ‘de mooie tegenstelling’ die
hij heeft opgeworpen, en de laureaat van vorig jaar voor de ‘prachtige
manier waarop hij deze heeft weergegeven’. Peter van
Straaten heeft een tekening gemaakt die de landkaart van Nederland
en België voorstelt als een deken. Twee angstige burgers
proberen de dekens, met het patroon van hun respectieve nationale
vlaggen, zo ver mogelijk over zich heen te trekken. ‘De
warmte van ons eigen dekbed en de angst voor de buitenwereld
straalt ervan af’, concludeert Schnabel over de tekening
die Academielid Van Straaten als zijn bijdrage aan de discussie
heeft gemaakt. ‘En tegelijk hebben die twee mensen iets
kinderlijks, door de gestreepte pyjama van de man.’
Daarop
nodigt de Academievoorzitter de leden Geert Mak, Jeltje van
Nieuwenhoven, Bas Heijne, Bernard Wientjes en Alexander Rinnooy
Kan uit om plaats te nemen achter de B&W-tafel van de voormalige
raadszaal van de gemeente Amsterdam.
Na het Nederlandse ‘nee’ tegen
de Europese grondwet heet een van de founding partners van
de Europese Unie opeens te leiden aan een angst voor de buitenwereld.
Is die angst terecht? Niet in het minst. Onder de leden van
de Academie heerst een opvallende eensgezindheid. Als Alexander
Rinnooy Kan, voorzitter van de Sociaal-Economische Raad (SER),
tijdens de Academiezitting zichzelf uitroept tot een ‘hartstochtelijk Europeaan’,
voegt hij daaraan toe: ‘Zoals iedereen in deze zaal’.
En niemand spreekt hem tegen. Voor de Academieleden is de buitenwereld
absoluut geen bedreiging.
‘Na een kleine interruptie
in de laatste vijf, tien jaar is bij ondernemers de zin om de wereld over te
zwerven en het realiseren van resultaat over de grenzen weer helemaal terug’,
verklaart Bernard Wientjes, voorzitter van VNO-NCW, als eerste spreker zonder
een spoor van twijfel. ‘Kijk naar wat bedrijven in China
en India doen. Er zijn gevaren, maar ook kansen: daar kunnen
dingen die in Nederland nooit hadden gekund op basis van de beschikbare
arbeid. Daarom is het vooral een aanvulling op de economische
bedrijvigheid in Nederland.’
Toch onderkent het nieuw toegetreden
Academielid het probleem. ‘Ondernemers zijn zich ervan
bewust dat Nederland meer dan zestig procent van ons nationaal
product over de grens realiseert. Bij werknemers daarentegen
zie je angst. Angst voor globalisering. Xenofobie, om dat nare
woord te gebruiken. Het blijkt uit de uitslag van het referendum
over de Europese grondwet of hoe de discussie over het Turkse
lidmaatschap van de EU verloopt. Het is een onrust waar wij als
ondernemers ons tegen verzetten. Helaas zonder erg veel resultaat.’
Is het mogelijk dat die spanning
tussen de instelling van enerzijds ondernemers en anderzijds
werknemers is ontstaan, werpt Schnabel op, omdat het leuk is
om de wereld in te trekken, maar een stuk minder leuk als de
wereld bij ons binnentrekt? Niemand staat toch te juichen bij
de recente buitenlandse overnames van Corus, KLM en ABN AMRO?
Wientjes schudt het hoofd. ‘Ondernemers
weten hoe Nederland groot is geworden. Wie van historie houdt – en
welk Academielid doet dat niet? – is zich bewust van de waarde van vreemde
invloeden. In de zeventiende eeuw was 35 procent van de werknemers niet-Nederlands,
nu maar tien procent. Bedrijven communiceren dat ook naar hun medewerkers.
De politiek helaas niet. Ik wil niet zwartepieten, maar in de politiek worden
de lusten van globaliseren veel te weinig gecommuniceerd. Integendeel. De teneur
is: wat goed gaat, danken we aan onszelf, en wat slecht gaat, danken we aan
Europa. De partijen die met die boodschap de onderbuik van de massa’s
het best bespelen, zijn het succesvolst.’
Rinnooy Kan is optimistischer. Hij is het
eens met Wientjes. ‘Hij
zegt verstandige dingen, zoals de vice-voorzitter van de SER
hoort te doen.’ Maar waar Wientjes lijkt te spreken over
een voorlopig onoplosbaar probleem, bagatelliseert hij de afgenomen ‘Europavriendelijkheid’ die
uit opiniepeilingen naar voren komt. ‘Het is een dip. In
dat woord ligt al besloten: er komt een weg omhoog. Europese
idealen en ambities die vijftien jaar geleden volstrekt vanzelfsprekend
waren, zullen opnieuw aanhang krijgen.’ Als Schnabel hem
vraagt of die idealen niet te hoog gegrepen zijn voor de gemiddelde
burger, reageert hij: ‘Ik denk het niet. Denk aan het heel
praktische – overigens nog niet geheel gerealiseerde – ideaal
van een Europa zonder economische grenzen.’
Desalniettemin wil Rinnooy
Kan ‘uit pure recalcitrantie’ een lans breken voor het provincialisme. ‘Al
willen wij allemaal Europeaan zijn, we voelen ook aan dat Europa
als entiteit maar een beperkt bestaan leidt. Er is geen Europese
pers, geen echt Europees debat en voor zover een Europese cultuur
bestaat, is het heel moeilijk die af te bakenen. De burger ontleent
zijn houvast niet aan Europa, maar aan zijn directe omgeving:
de provincie waar hij woont, werkt en het grootste deel van zijn
vrije tijd doorbrengt. Dat gezond Europees provincialisme moet
je erkennen.’
Rinnooy Kan ziet een Europe
des départements voor zich. ‘Laat Europa meer zijn dan een
interessante optelsom van provincies, maar gun de burger zijn houvast. Laat
hem onderdeel voelen van het grotere geheel, maar ook van zijn eigen provincie.
Zo ontstaat in Europa een diversiteit en een variëteit aan provinciale
tradities die we moeten accepteren en omhelzen. Die diversiteit onderscheidt
Europa van pogingen tot imperiumvorming in het verleden en geeft Europa grote
kracht. Ik zeg dus: “Lang leve het Europees provincialisme”.’
Daarmee is het aantal optimistische sprekers
gekomen op twee, constateert Schnabel. Vertellen zij niet te
veel de ‘chocoladezijde
van het verhaal’? Schrijver Geert Mak wil daar niet zonder
meer bevestigend op antwoorden. ‘Het is heel dubbel.’ Maar
toch: ‘De Europese pioniers dachten dat nationalisme en
patriottisme iets was van de achttiende, negentiende en begin
twintigste eeuw. Na de gruwelijkheden die zij hadden meegemaakt,
leek dat voorbij en afgedaan. Zij onderschatten de verleidingskracht
van de verbeelde natie en het nationale saamhorigheidsgevoel.
Daarbij zijn na de Tweede Wereldoorlog per land enorm verschillende
verzorgingscomplexen opgebouwd onder nationale koepels. Dat roept
de gedachte op dat men onder de kaasstolp veiliger zit dan in
de koude wind buiten.’
Maar het is niet alleen het
grote en bureaucratische Brussel, betoogt Mak, dat angst oproept. ‘Nederland
handelt als een tijger met Duitsland. Er is enorm veel communicatie en verkeer.
Tegelijk doet men in de politiek en het publieke debat of achter Oldenzaal
een duinenrij en een onmetelijke oceaan ligt, en er wél snelwegen lopen
van de Randstand naar Londen en vooral New York en Washington. Eeuwenlang heeft
Nederland zich laten leiden door een angst voor het continent, die met het
bombardement op 10 mei 1940 nog is versterkt, en een voorliefde voor verre
oorden: eerst Indië, later de Verenigde Staten. Dat kan nu niet meer,
en dat is buitengewoon verwarrend.’
De reden waarom Nederland
noodgedwongen zijn plaats in het internationaal stelsel moet
heroverwegen, is de koerswijziging van Amerika. ‘Het Atlantische
verbond was allesbepalend, sinds het aantreden van Bush is de
Pacific het belangrijkste ijkpunt. Amerika is onze prettige oom
niet meer, Amerika gaat zijn eigen weg en als vazalstaat bij
uitstek voelen wij dat het allerhevigst. Nederland moet zijn
plek in het stelsel opnieuw bepalen. Ik heb het gevoel dat men
in Den Haag die realiteit, ik herhaal: die realiteit, niet onder
ogen ziet. Nederland is niet langer een soort Engeland, omringd
door de Hollandse waterlinie die we af en toe onder water zetten.’
Net als Rinnooy Kan voorziet Mak de opkomst
van een Europees provincialisme. ‘De regionale en stedelijke identiteit
en tegenstellingen worden sterker dan de nationale’, analyseert
hij. ‘Het zal niet meer gaan om Nederland versus Duitsland,
maar Amsterdam tegenover Frankfurt of Rotterdam tegenover Hamburg
en Antwerpen.’
Deze interpretatie van het
woord ‘provincialisme’ komt beiden op een correctie te staan van
Jeltje van Nieuwenhoven, oud-voorzitter van de Tweede Kamer. Zij heeft de stelling
anders opgevat. Provincialisering van de Lage Landen gaat ‘niet over
de economische orde, maar over wat in mensen gebeurt’, meent zij. Zo
opgevat heeft ‘provincialisering’ een uitdrukkelijk negatieve
betekenis. ‘Provincialisering’ betekent voor Van Nieuwenhoven
dat de vrijheid van meningsuiting, het homohuwelijk ‘en een hoop verwante
verworvenheden in de Nederlandse en hopelijk ook – want die ken ik niet
zo goed – Belgische samenleving, onder druk zijn komen te staan.’ Ook
de uitslag van het referendum over de Europese grondwet is een teken van provincialisering. ‘Want
o wat zijn we dapper dat we tegen de grondwet hebben gestemd,
terwijl we niet half wisten wat er in stond en niemand het ons
ook heeft verteld.’
Globalisering heeft veel goeds
gebracht, maakt Van Nieuwenhoven met een even simpel als aansprekend
voorbeeld duidelijk. ‘Mijn hulp, die lang in Australië heeft gewoond, kan
via een eenvoudige webcam op de computer met haar kleinkinderen discussiëren.
Dat is ook globalisering.’ Daarom wil ze niet pessimistisch zijn (‘dat
gevoel praat niemand me aan, ook Tom Lanoye niet’). ‘Ik
ben ervan overtuigd dat de toekomst van bedrijfsleven en burger
in Europa ligt. Het ging de Europese pioniers vanaf het begin
niet om een economische unie, die inmiddels al lang is opgezet,
maar om het scheppen van een gemeenschap. Het ging hen en het
gaat ons om wat mensen zelf bij Europa voelen. Dat ze mee willen
doen. Dat ze zich erdoor aangesproken voelen. En ik heb het idee
dat we dat pro-Europese gevoel in Nederland kunnen terugroepen.’
De overwinning van de ‘nee’-stem
bij het referendum kwam dan ook hoofdzakelijk door de slechte informatie over
de betekenis van de grondwet. ‘Als er iets slecht is gegaan de afgelopen
jaren, dan dat. Als je mensen vertelt dat de teksten uit de Europese grondwet
die zogenaamd de Nederlandse rechten aantasten, allang in de Nederlandse grondwet
stáán: dat buitenlandse verdragen boven Nederlandse verdragen
gaan – als je dat vertelt, staan ze je allemaal glazig aan te kijken: “o,
is dat zo?” En ik heb veel mensen gesproken toen.’
Is ze in dat geval voor een
nieuwe referendum over de Europese grondwet? wil Mak van haar
weten. ‘Ik
ben nooit voor referenda geweest. De keus is altijd ja of nee, en in de politiek
is zoveel méér’, begint Van Nieuwenhoven te zeggen. ‘Maar
in de korte tijd dat ik de leiding mocht hebben van de PvdA-fractie in de Tweede
Kamer was de eerste motie die ik indiende, dat het referendum er mocht komen.
Politici hadden de naïeve gedachte dat het referendum burgers bij Europa
kon betrekken door hen te laten uitspreken vóór Europa. Als het
nieuwe verdrag weer een opgetuigd vehikel blijkt te zijn, is een referendum
niet nodig. Maar doe je het niet, dan krijg je jarenlang de discussie dat de
politiek het heeft tegenhouden. Mijn advies is daarom: hou wél
een referendum, maar leg goed uit waar het over gaat.’
Bas Heijne wil de discussie breder trekken.
De schrijver en publicist ziet niet alleen een beweging tegen
internationalisme oprukken, maar ook een beweging tegen multiculturalisme
en tegen secularisme. ‘Men ziet daar geen drie-eenheid in, maar
het is niet toevallig dat deze reacties samenvallen’, betoogt
hij. ‘In de jaren zeventig, toen ik opgroeide, werd je
geïmpregneerd met idealen die nooit breed uitgelegd of goed
doordacht zijn. Ook het homohuwelijk en de euthanasiewet zijn
nooit breed bediscussieerd. Daardoor zat je in een modus van
onnadenkendheid. De progressieve voortgang voelde goed, verder
dacht je er niet bij na. Nu is in dat zelfbeeld een crisis gekomen.
11 september is daar eerder een symbool dan een symptoom van,
maar het was voor veel mensen wél een moment waarop de
schellen van de ogen vielen en zij bij zichzelf te rade gingen.’
Het is geen exclusief Nederlandse
tegenreactie. ‘Als je bij Amazon.com kijkt, zie je in ieder
land een hele serie boeken verschijnen over de crisis in het
eigen land. Iedere uitgever in deze zaal heeft zijn eigen reeks
in zijn fonds. Alleen in Engeland valt het nog mee. Na weer een
incident in Nederland, krijg je opnieuw een journalist van Libération aan
de lijn die vraagt: “Wat is er bij jullie
aan de hand?” Wel, hetzelfde als bij jullie. Frankrijk
heeft alleen de banlieu en
wij af en toe een celebrity-moord.’
Dat de tegenreactie juist
nu optreedt, vindt Heijne niet zo vreemd. ‘Rüdiger Safranski heeft
het als eerste gezegd: hoeveel globalisering kan een mens verdragen? Er is
een spagaat tussen de ongrijpbare, complexe globalisering en de wetenschap
dat je sportschoenen zijn gemaakt door kinderarbeid aan de andere kant van
de wereld. Er is een grens aan wat mensen aan kunnen. Mensen willen niet eindeloos
globaliseren. Daarom ben ik ook blij dat Peter van Straaten de Nederlander
en Belg op zijn tekening sympathiek heeft gemaakt. Je moet mensen de ruimte
geven om hun eigen wereld in te richten. Eigenlijk wil ik dus precies hetzelfde
zeggen als Alexander. Jammer dat hij me voor was. Met zijn pleidooi voor provincialisme heeft
hij het gras voor mijn voeten weggemaaid.’
Voor Heijne zijn er twee vormen
van ‘de reactie’, twee manieren waarop mensen zich terugtrekken
op hun eigen eilandje. In de ‘onschuldige’ variant verliest de
provincialiserende Nederlander zich in folklore. ‘Het heeft een hoog
Pasar Malam-gehalte. Zonder daar schamper over te doen: voor de Indische Nederlander
is het heel prettig om op de Pasar Malam Besar te zijn, en hij weet dat niet
iedereen daar wil zijn. Gun het hem dan ook.’
Er is echter ook een ‘schuldige’ versie. ‘Dat
is wanneer mensen de spagaat niet langer kunnen volhouden – en steeds
meer mensen kunnen dat niet. Dan bedenken ze een privé-ideologie waarmee
ze de hele wereld bekijken en die hen in aanvaring brengt met hun omgeving.
Kijk naar de actualiteit van vandaag. Uit een enquête blijkt dat veertig
procent van de Nederlandse bevolking denkt dat men in Nederland niet meer alles
kan zeggen. Terwijl de laatste jaren álles is gezegd. De hardste grappen
over de multiculturele samenleving. Je moet alleen uitkijken voor de gek om
de hoek. Volgens mij is het eerder zo dat veertig procent zich niets meer láát
zeggen. Ze hebben een identiteit gevormd en willen die niet meer
beperken. Met hen is geen discussie meer mogelijk. Dan worden
ze boos. Dat vind ik geen positieve ontwikkeling.’
De gespletenheid van mensen, ‘die
in iedereen zit’, gaat ver, betoogt de schrijver. Onlangs zat Heijne
in de trein tegenover een Turkse Nederlander. ‘Een surftype, geen radicale
moslim: kettinkje, gebruind. Hij las een boek over de islam. In het Turks,
ik zag het woord ‘islam’ in de titel, en ongetwijfeld dus een pleidooi
vóór de islam. Hij maakte ijverig aantekeningen. Maar op zijn
T-shirt stond: “No rules, no limits”. In zo iemand ben ik geïnteresseerd.’
Voor Schnabel zelf wijst de uitslag van
de enquête waar
Heijne over sprak, op het belang dat het thema heeft gekregen.
Vijftien jaar geleden was ‘vrijheid van meningsuiting’ geen
issue, blijkt uit SCP-onderzoek. ‘Maar eind jaren negentig,
nog voor Fortuyn, begint dat thema opeens op te komen. Heel interessant.
Toen dacht men dat je niets onwelgevallligs mocht zeggen over
de islam of de multiculturele samenleving. Daar maakte Fortuyn
gebruik van. En nu leeft ook de angst op dat je niets welgevalligs over
de islam mag zeggen. Kennelijk is er bij de Nederlanders een
bedreiging opgekomen die er eerst niet was. Een angst om “geprovincialiseerd” te
worden, als je niet meer mag zeggen wat je denkt.’
Van Nieuwenhoven gaat er niet
in mee. Opnieuw wijst ze op de oorspronkelijke betekenis van het woord: wie
zich ‘provinciaal’ gedraagt, is ‘min of meer benepen’.
Maar toch – als ze, los van zijn woordkeus, Schnabels redenering volgt,
is ze het met hem eens. ‘Er zijn altijd groepen die iets anders vinden.
Dat mag, geef hen de ruimte. Dat hoort ook bij vrijheid van meningsuiting.
Maar naar mijn idee is er een groeiende angst om de ander te beledigen. Misschien
vergis ik me. Ik hoop dat ik me vergis, dat is mijn optimisme weer. Maar is
het niet tekenend dat, zoals we net in de koffiekamer vaststelden, er meer
Vlaamse schrijvers zijn die zich politiek geëngageerd durven op te stellen
dan Nederlandse? De goede niet te na gesproken, hoor je er dan altijd bij te
zeggen.’
Heijne daarentegen verklaart
de angst voor het einde van de vrijheid van meningsuiting uit een behoefte
aan eigenheid. ‘Tien jaar geleden bestond die behoefte niet. Nu wel.
En veel mensen voelen ook de noodzaak hun eigenheid te verdedigen. Niet dat
een ander iets niet mag zeggen, maar de ander mag je niet aantasten in je gevoel
van identiteit.’ Hij wijst op de discussie over de Partij van de Dieren.
Die gaat niet over hoe we met dieren om moeten gaan, ‘maar alleen of
dierenrechten onzin is of juist goed om voor te strijden. We proberen niet
meer tot elkaar te komen.’ En nu twee Kamerzetels blijken te worden bemand
door twee Zevendedagadventisten, is dat voor een deel van de aanhang onoverkomelijk. ‘Men
voelt zich bedreigd door de identiteit van de ander. Dat is nieuw.’
‘Toch is het eigenlijk
heel klassiek Nederlands’, nuanceert Mak. ‘We graven
ons in in theologische twisten.’
Schnabel wil daarop terug naar het begin
van de discussie. Hem viel op dat de Academieleden herhaaldelijk
een gebrek aan informatie aanwezen als angst voor Europa. ‘Men lijkt niet goed te
weten dat Europa ons welvaart heeft gebracht. Men is eerder bang
dat Europa onze welvaart komt weghalen, door al die nieuwe, arme
landen die zijn toegetreden. Het beeld is: de Poolse loodgieter.’ Eigenlijk
zit iedereen op hem te wachten, vat Schnabel samen, maar je moet
bang zijn voor zijn komst. ‘Dat is het beeld. Wat kunnen
we doen om dat beeld weg te nemen?’
Wientjes wijst wederom op
de noodzaak van betere communicatie. ‘Nu de Oost-Europese landen zijn
toegetreden tot de Europese Unie is de exportgroei van Nederland enorm toegenomen.
Toch is de angst voor open grenzen groot. We kennen allemaal de karikaturen
van de Polen die hier asperges komen steken tegen een betaling ver onder het
minimumloon. Er is een grote angst dat bedrijven deze mensen uitbuiten. Natuurlijk,
er zijn uitzonderingen: die ene huisjesmelker die op acht hoog twintig Polen
in één verdieping stopt. Maar we hebben vastgelegd dat we deze
mensen correct behandelen volgens CAO’s en andere overeenkomsten.’ De
mensen die strijden tegen het vrij verkeer van arbeid, ‘wijzen op de
uitzonderingen. De politiek moet daar een reëel beeld tegenover
zetten. Juist nu veel bedrijven ook de grootste moeite hebben
om voldoende personeel te vinden.’
Ook de angst dat lokale culturen
in de verdrukking komen, is volgens hem onterecht. Zozeer dat Wientjes het
eigenlijk overbodig vindt dat Rinnooy Kan oproept tot herwaardering van een
Europees provincialisme. ‘Het economisch succes van Europa gaat niet
gepaard met onderdrukking van lokale of regionale culturen, zoals imperia in
verre verledens hebben gedaan. Staphorst is en blijft wat het al honderden
jaren anders maakt. Dat gebeurt ook buiten Europa niet. In India zijn tachtig
talen. In de Verenigde Staten zijn ongelooflijk grote culturele verschillen
tussen de staten. Het enige verschil is dat de Indiër zich Indiër
voelt en de Europeaan geen Europeaan. Provincialisme bestaat dus al lang, laten
we alleen dat vreselijke woord niet gebruiken.’
Hij voegt er nog aan toe: ‘Wij
pleiten om dezelfde reden ook al jaren voor behoud van de sociale
structuur van Nederland. Ik ben natuurlijk voor een sociaal Europa,
maar niet voor een sociaal georganiseerd Europa. Zoals
wij bijvoorbeeld met werknemers overleggen, daar begrijpt een
Italiaan niets van, laat staan een Engelsman. Laten we dat vooral
zo houden. Het is onze cultuur, waar ook ondernemers trots op
zijn.’
Rinnooy Kan voelt Wientjes erkenning van een bestaand provincialisme
als een mooie ondersteuning van zijn pleidooi. Maar dat wil Schnabel
niet van hem weten. In zijn vorige baan als lid van de raad van
bestuur van ING heeft hij over de hele wereld gezworven. Is de
angst voor een toekomst waarin het land is uitgespeeld als natie
typisch Nederlands en Belgisch? Of kwam hij dat sentiment overal
tegen?
‘Wat me het meest is
opgevallen’, antwoordt Rinnooy Kan: ‘Iedereen houdt
van Europa en verwacht wat van Europa, behalve de Europeanen
zelf. Als je kijkt naar de boekenplank zul je ook heel wat optimistische
boeken over Europa vinden. Alleen: geschreven door Amerikanen.
Een mooi voorbeeld is The European Dream van
Jeremy Rifkin. Het is misschien hier en daar overdreven, maar
hij documenteert uitvoerig hoe de Amerikaanse droom, waar Nederland
verlekkerd naar kijkt, veel van zijn zeggingskracht en realisme
heeft verloren, en hoe de Europese droom, waar bestuurlijke en
culturele pluriformiteit en complexiteit een wezenlijk onderdeel
van is, een veel geloofwaardiger perspectief is voor de wereld
van morgen dan het achterhaalde idee “van krantenjongen tot miljonair”.
Want de meeste krantenjongens blijven krantenjongens, en de meeste
miljonairs zijn miljonair omdat hun ouders dat al waren. Dat
de zeggingskracht van dat Europese ideaal beter wordt verstaan
buiten Europa, is buitengewoon ironisch.’
‘Er zit ook iets scheefs’,
vervolgt hij, ‘in hoe men in Nederland tegen Europa als politieke entiteit
aankijkt. Van ons eigen land zijn we geneigd vooral geïnteresseerd te
zijn in onze rechten. Wim Kan zei al: “Iedereen studeert rechten in Leiden,
maar niemand studeert plichten in Rijswijk.” Zo is het. Alleen diep in
ons achterhoofd weten we dat er ook nog zoiets als plichten zijn. Van Europa
is het precies andersom. Iedereen zeurt – als ik dat woord mag gebruiken – vooral
over de Europese plichten. Men vergeet dat er ook Europese
rechten zijn. Het recht om je niets van economische grenzen aan
te trekken en, zonder dat iemand er iets van kan zeggen, in een
ander land aan de slag te gaan. Dat is een ongelooflijke verworvenheid.
Het is de Europese pioniers te prijzen dat zij duidelijk wisten
te maken dat we dat ideaal alleen konden verwerven als we een
stukje van onze nationale soevereiniteit opgaven. Als je Europa
als economisch succes wilt vieren, moet je erkennen dat de bereidheid
daartoe daarvan de kern is.’
Waarom hoor je dit verhaal niet in de media?
vraagt Schnabel aan Heijne. Omdat het is mislukt om burgers
in het grote Europese verhaal te laten geloven, maakt de schrijver
duidelijk. ‘Al
die mensen die Europa moeten vertegenwoordigen, lopen steeds
tegen een virtuele glazen wand op. Ze vinden Europa een succes,
en denken dat ze het niet kunnen overbrengen. We leggen het niet
goed uit, zeggen ze dan, de burger heeft het niet begrepen, er
moeten Europese symbolen komen. Allemaal valstrikken. Er is geen
Europees Esperanto. Je kunt geen symbolen bedenken waar mensen
in gaan geloven. Het uitvergroten van het nationalisme tot Europees
niveau, is mislukt.’
Volgens Heijne is
het beter om een Europees gevoel te laten ontstaan vanuit een
regionaal, provinciaal of nationaal zelfbewustzijn. ‘Onlangs
discussieerde ik in Hengelo, voor een overwegend links SP-publiek,
onder meer over de stelling “Het nationalisme
is een zegen”. Ik hield hetzelfde pleidooi over provincialisme
als hier: dat je Twents mag zijn, dat je je zelfs kunt verlustigen
in je “Twentse” en
toch deel kunt uitmaken van de grotere wereld. De helft van de
zaal ging staan. Het idee dat je Twent mág zijn, het was
een opluchting om dat te mogen erkennen. Alexander heeft dus
een heel goed punt gemaakt. De dubbele identiteit is mogelijk,
beide spreken elkaar niet tegen.’
Vanwege dezelfde maatschappelijke
verandering juicht Heijne het ook toe dat de discussie over de Nederlandse
identiteit werkelijk is losgebarsten. Bij de Academiediscussie in 2002, toen
Michaël Zeeman – laureaat van dat jaar, de vraag had opgeroepen
naar wat ‘typisch Nederlands’ is, ‘discussieerde de eerbiedwaardige
Academie, onder wie ik, – en ik chargeer – onwennig en slap over
de fiets, de haring en de vraag of kaas er ook bij hoorde of niet. Nu is de
discussie over nationale identiteit veel heftiger en ingewikkelder, maar ook
interessanter. We weten nu beter waar we het over hebben.’
Hoe kunnen we het huidige kabinet overtuigen
van de noodzaak om een Europees provincialisme te erkennen?
wil Schnabel van oud-politica Van Nieuwenhoven weten. Opnieuw
verzet zij zich tegen ‘provincialisme’ of ‘regionalisme’. ‘Ik
ben een kind van de jaren zestig, misschien is dat het. Ik heb
echt minder met deze begrippen dan de heren aan deze tafel. Ik
ben in Friesland geboren, ik woon al veertig jaar buiten de provincie,
maar heel Nederland denkt dat ik vanwege mijn Fries accent trots
ben op mijn achtergrond. Ten eerste: ik héb geen Fries
accent. Het is een Saksisch accent. Ik ben in het deel van Friesland
geboren waar men geen Fries spreekt. En ik ben niet trots op
die eigenheid. Men had veertig jaar geleden tegen mij moeten
zeggen dat ik naar een logopedist moest gaan. Het is raar dat
niemand dat toen heeft gedaan, nu kan ik het niet meer veranderen.’
Dan geeft Schnabel de kans
aan Mak om een advies aan de politiek te geven. Allereerst zegt
de schrijver: ‘Het
is goed om je eigen wortels en eigen identiteit niet in een verdomhoekje
te schuiven, maar we moeten ook Europa meer bejubelen. Europa
is een eclatant economisch succes en een historisch verbijsterend
vredesproces zoals nog nooit vertoond is. Het bovennationale
schept veel interessante mogelijkheden voor de eenentwintigste
eeuw. Niet voor niets kijkt men in Azië met argusogen
hoe Europa het aanpakt. Laten we dan ook heel goed bovenop de
Europese problemen zitten. Europa is op allerlei manieren in
de gevarenzone beland. Het zit vast, er is te gemakkelijk omgegaan
met uitbreidingen, de burgers interesseren zich er niet voor,
enzovoort, enzovoort.’
Voor Nederland heeft hij een
apart advies. Hij wijst daarbij op de tekening van zijn mede-Academielid
Peter van Straaten. ‘Onderdeel van het gevoel: laten we
lekker onder de warme dekens kruipen, is ook: geen scherp oog
hebben voor de mogelijkheden die op het internationale vlak liggen
voor dat rare land Nederland, dat in Europa de kleinste van de
grote landen is, maar vooral: de grootste van de kleintjes. Laat
ook deze twee figuurtjes onder hun nationale dekens elkaar bij
hand grijpen, misschien met kleine broertje Luxemburg erbij,
en de oude Benelux opnieuw leven inblazen. De Benelux kan een
hefboom zijn om internationaal wat te betekenen.’
|