|
|

GEZOCHT: Managers met kennis van
cultuur
Heeft
de laureaat het de Academie De Gouden Ganzenveer makkelijk gemaakt
of niet? Voorzitter Paul Schnabel weet het eigenlijk niet. Ja:
Peter van Straaten laat de Academie vrij de door hem aangereikte
thema’s naar eigen inzicht in te vullen. En nee: Van Straaten
heeft geen keus gemaakt tussen twee thema’s die hem na aan
het hart liggen. Het eerste thema betreft het onderscheid tussen
hoge en lage kunst, ‘waarbij de laureaat het gevoel heeft
dat het idee van “lage kunst” niet bestaat,’
aldus Schnabel. Het tweede thema is de vraag of de managers de
kunst en cultuur overnemen. De laureaat lijkt het geen goede ontwikkeling,
vertelt Schnabel, maar hij wil vooral van de Academie horen of
die dezelfde ontwikkeling bespeurt en of dat een goede is. De
Academievoorzitter nodigt de leden Geert Mak, Henk van Os, Francine
Houben en Gerlach Cerfontaine uit plaats te nemen achter de B&W-tafel
van de voormalige raadszaal van de gemeente Amsterdam en ondervraagt
hen om te beginnen over het tweede thema.
Nemen
managers de kunst en cultuur over? Aanvankelijk willen de Academieleden
geen doemscenario’s schetsen. De termen ‘cultuurmanager’
en ‘cultureel ondernemer’ zijn simpelweg in zwang
geraakt, maakt Henk van Os duidelijk. Hijzelf gebruikt de termen
moeiteloos, terwijl zijn leermeester hem de kamer uit had gejaagd
als hij een van deze woorden in de mond zou nemen. Maar in wezen
betekent het nieuwe woordgebruik niets meer dan dat een andere
groep (lees: de managers en ondernemers) cultureel bepalend is
geworden en daarom ook organisaties die niets met deze wereld
te maken hebben (lees: de culturele instellingen) hun benamingen
en uitdrukkingen gebruiken. ‘De generatie van mijn ouders
reageert buitengewoon scherp op deze termen, omdat een andere
groep het voor het zeggen heeft gekregen. Maar dat is niet per
se slecht,’ meent Van Os.
Ook Francine Houben en Geert Mak hebben weinig bezwaar tegen het
‘managen van kunst’. In de architectuur – de
wereld van Houben – hoort zakelijkheid bij het vak. ‘Ik
heb het alleen zo georganiseerd dat ik me er zelf niet mee hoef
te bemoeien,’ vertelt ze. ‘Pas als het problemen oplevert,
heeft het mijn aandacht. Ik kies ervoor me hoofdzakelijk met de
creatieve kant van het vak te bemoeien. Ik ga voor het resultaat.’
Die tweeslachtigheid is bovendien van alle tijden, voegt Mak daaraan
toe. ‘Rembrandt was ook een ondernemer. Al bracht hij het
er niet goed van af en ging hij failliet, hij werkte in een schildersfabriek,
met talloze leerjongens, waar flink wat geld in omging.’
Anno 2006 geldt dat onverminderd: wie een film wil maken, waarvoor
een miljoenenbudget nodig is, moet ook in staat zijn de financiering
te regelen.
Ondernemen in de kunst is dus volstrekt normaal.
Maar dan.
‘Het is een groot probleem,’ vervolgt Mak, ‘dat
de leiders van tegenwoordig geen flauw benul hebben van cultuur.
Vroeger zaten in Amsterdam achter deze tafel wethouders als Wibaut
en Boekman, die de sector goed kenden. Toen deze raad emmerde
over een nieuw voordoek voor de Stadsschouwburg, zei Wibaut: “Dan
betaal ik het zelf” – wat hij ook heeft gedaan. Hij
zei dat omdat hij wist waarover het ging. Tegenwoordig pretenderen
bestuurders dezelfde kennis te hebben, maar deze ontbreekt en
het gat wordt gedempt met adviescommissies. Mijn vrienden en collega’s
worden daar knettergek van. Hun ambacht wordt niet meer herkend
en gerespecteerd. In deze stad heeft de PvdA in de vorige collegeperiode
de portefeuille cultuur gegeven aan een wethouder die daar net
zo veel van wist als ik van sport. Niet veel. Deze partij heeft
de cultuur altijd behartigd, maar kennelijk interesseert het de
partij geen bal meer. De PvdA voelt er in elk geval geen verantwoordelijkheid
meer voor.’
Gerlach Cerfontaine beaamt deze woorden grif. In de cultuur, maar
ook in het onderwijs en de gezondheidszorg, is de inhoud gescheiden
van het beheer. Een overdaad van managers, ‘gevangen in
een systeem van vergaderen, overleggen en niets besluiten’,
beheerst deze sectoren. ‘De maatschappij maakt een geweldige
achteruitgang mee die nog altijd doorgaat.’ Het is hoogstnoodzakelijk
dat deze trend wordt omgebogen. ‘We moeten terug naar de
inhoud,’ roept Cerfontaine op tot verandering. Niet de ‘mensen
van de inhoud’ zelf moeten aan het roer komen, omdat die
vaak ongeschikt zijn voor of ongeïnteresseerd zijn in management,
maar managers die de inhoud voorop stellen. ‘Managers die
het belang van de inhoud inzien en in de eerste plaats dat willen
ondersteunen.’
De
Academieleden weten welk publiek naar hen luistert. De zaal is
grotendeels gevuld met directeuren van uitgeverijen en boekhandels,
ofwel: de managers van de boekencultuur. Herkennen zij zichzelf
in de managers die hun kennis van en voeling voor de inhoud verloren?
vraagt Paul Schnabel zich af. Naar zijn idee is de liefde voor
het boek, bepaalde auteurs of bepaalde genres niet meer de drijfveer
van uitgevers, maar ‘dat wat verkoopt en voor meerdere jaren
goede winstmarges garandeert’. Tegelijk bespeurt hij een
kentering: uitgevers keren op hun schreden terug en zetten opnieuw
de liefde voor het boek voorop.
Als eerste reageert Dries van Ingen, directeur van uitgeverij
Boom. Als ‘cultureel ondernemer’, zoals hij zijn functie
zonder gêne omschrijft, heeft hij ‘managen’
in zijn bedrijf dezelfde rol gegeven als deze in het architectuurbureau
van Houben heeft: managers moeten het inhoudelijke proces, ‘de
relatie tussen de auteur en de meneer of mevrouw van de uitgeverij’,
faciliteren. Daarmee verplicht hij de uitgeverij niet om klein
te blijven. ‘Je kunt een grote uitgeverij heel goed opdelen
in kleine cellen en verantwoordelijkheid geven op lage niveaus.
Als je mensen vrijheid van handelen geeft, ontstaat vitaliteit
in het bedrijf. Dat is het tegenovergestelde van wat managers
vaak doen. Zij willen voor jou bedenken wat je moet doen, het
proces centraal stellen. Sommige uitgeverijen hebben zo’n
“Handboek Soldaat”, wij niet.’
Ook Maarten Asscher, directeur van boekhandel Athenaeum, zegt
‘cultureel ondernemer’ te zijn in de zin waarin Mak
en Cerfontaine de ideale directeur schetsen. Hij bespeurt een
angst voor culturele ondernemers omdat dit begrip de gedachte
oproept aan ondernemers in een culturele omgeving, ‘die
het vooral moeten hebben van financiële goochelkunst en grootspraak’.
Ten onrechte. Hijzelf definieert de term als ‘ondernemen
in en met de cultuur’ – en dan is ondernemerschap
juist nodig. ‘Een uitgever of boekhandelaar moet met ondernemingslust
steeds nieuwe combinaties vinden om succesvol te zijn op de culturele
markt.’ In de media- en muziekwereld ziet hij vooral het
eerste type ondernemers, in de boekhandel het tweede.
Als
de Academieleden van haar voorzitter weer het woord krijgen, haasten
zij zich om de ontstane verwarring recht te zetten. Er zijn ondernemers
die voor eigen rekening en risico zakendoen. En er zijn managers
die, al dan niet tijdelijk, worden ingehuurd om een klus te klaren.
Alleen die laatste groep vormt in de culturele wereld een probleem.
Henk van Os verklaart zich als eerste nader. In de museumsector,
legt hij uit, heeft de overheid uniformerende maatregelen genomen
in de hoop op die manier grip te krijgen op ‘een eigenaardig
instituut als het Rijksmuseum’. Gevolg: in zeven jaar leiding
geven aan het museum zag Van Os acht peperdure consultants langs
komen, soms voor het hele museum, soms voor onderdelen daarvan.
‘Allemaal draaiden ze dezelfde worstmolen rond – dat
hadden ze uit een boekje. Ze gebruikten woorden als “integraal
management”, jargon dat niet geëigend is voor een specifieke
organisatie als een museum, en het museum moest alle zeilen bijzetten
om het personeel het gevoel te geven dat het nog wel hun organisatie
was. Later ontdekten collega’s dat ze problemen voor zich
uit konden schuiven door consultants in te huren en te reorganiseren,
en zo ontstond een dikke klont van mensen die geen verantwoordelijkheid
dragen, maar veel kwaad aanrichten. Ondertussen leerde ik via
de raad van toezicht en sponsoring echte ondernemers kennen. Zij
toonden wel respect voor het museum, en kunnen normaal met je
praten over hoe je zo’n organisatie moet runnen.’
Juicht Van Os dan ook de ontwikkeling toe dat de laatste tijd
mensen tot museumdirecteur worden benoemd die geen achtergrond
in het vak hebben, maar wel een duidelijke culturele belangstelling?
is Schnabel benieuwd. Hij geeft als voorbeeld Pauline Terreehorst
(was onder meer modejournalist, is nu directeur Centraal Museum
in Utrecht) en Kees van Twist (was journalist, is nu directeur
Groninger Museum). Inderdaad verkiest Van Os dit type directeur
boven managers zonder benul van het doel van een organisatie.
Voor het Rijksmuseum echter moet zonder meer een kunsthistoricus
directeur zijn. ‘In het Rijksmuseum werken zestig, vaak
gepromoveerde kunsthistorici. Zij hebben een directeur nodig die
weet hoe zij werken.’
Geert Mak en Francine Houben breken eveneens een lans voor de
ondernemer die met werkelijke passie en kennis een cultureel bedrijf
draaiend houdt. De ideale uitgever, en daar zijn er volgens Mak
nog veel van, combineert een nuchtere zakelijkheid met diepgaande
kennis van de inhoud van de boeken die hij op de markt brengt.
Ook werken zij voor de lange termijn. Het zijn geen managers die
na een ‘one night stand’ (dixit Mak) hun biezen pakken
en een ander met de verantwoordelijkheid voor de gevolgen achterlaten.
In de architectuur is dat niet anders, vult Houben aan: de manager
op haar bureau die niets van de bouw snapt en niet in het enthousiasme
van de architecten kan delen, is ontslagen voor het einde van
de proeftijd. ‘Alleen aan de kant van onze opdrachtgevers
zie ik soms managers van wie ik denk: wat zonde dat zo’n
groot deel van het budget opgaat in hun uren en niet in het gebouw.’
Toch moeten ook uitgevers en architecten waken, waarschuwde Gerlach
Cerfontaine. Ondernemers kennen vaak financiële zorgen, redeneert
hij, die zij proberen weg te nemen met ‘management’.
Strikte procedures over de budgetverantwoording bijvoorbeeld suggereren
dat de zorgen kunnen worden opgelost. Door daarvoor managers in
dienst te nemen, lopen ook de idealtypen culturele bedrijven het
risico van vervreemding.
Op
dit punt aangekomen snijdt Academievoorzitter Paul Schnabel het
andere thema aan dat de laureaat heeft aangedragen: hoge kunst
versus lage kunst. Het idee is, betoogt hij, dat juist mede door
de opmars van management en commercieel denken in de cultuur het
niveau omlaag gaat. Immers: een schouwburgdirecteur moet ervoor
zorgen dat de zaal vol zit, en dat lukt beter met cabaret of musical
dan met het klassieke toneel. Baart deze ontwikkeling terecht
zorgen? Of meent de Academie dat de maatschappij zich niet druk
hoeft te maken omdat sommige kunstvormen, bijvoorbeeld opera,
altijd een beperkt, maar niet slinkend publiek trekken?
Gerlach Cerfontaine en Geert Mak betonen zich zwartkijkers. De
opkomst van ‘massa en kassa’, aldus Cerfontaine, houdt
een risico in van vervlakking, daarvan is hij overtuigd. Ook meent
hij dat het onderwijs steeds minder aandacht heeft voor filosofie,
kunst en cultuur. Mak is pessimistisch ondanks zichzelf. ‘Van
nature ben ik optimistisch, maar ik bespeur een ontwikkeling die
ik niet leuk vind, om het zacht uit te drukken. Tot de eerste
driekwart van de vorige eeuw was het streven naar een goede cultuur
de norm. Je ging af als je bepaalde dingen niet wist. Daarna kwam
een knik naar trots dat je ergens geen klap van af weet, alle
cultuur onzin vindt, en dat niemand je weerspreekt. Als ik met
mensen praat die zijn opgegroeid in de jaren twintig, nu tachtig,
negentig jaar oud zijn, proef ik bij hen een soort eruditie en
breedheid die aan het verdwijnen is. Ik heb sterk het gevoel dat
ons iets tussen de vingers aan het glippen is.’
Francine Houben komt in verweer tegen dit pessimisme. Als architecte
begon zij vijfentwintig jaar geleden in de stadsvernieuwing. ‘Er
is niets volkser dan dat.’ Zij ging ervan uit dat mensen
een absoluut gevoel van logica en schoonheid hebben en geen foute
smaak hebben. Die overtuiging heeft zij nog steeds. Momenteel
aanvaardt zij opdrachten of om artistieke redenen, of om daarmee
haar brood te verdienen, of omdat ze vindt dat ze het moet doen
voor de maatschappij. Een leuk, gevarieerd pakket, vindt Houben,
waarbij ze geen onderscheid maakt tussen hoog of laag. Hooguit
bespeurt ze in de hoogte van budgetten dat opdrachtgevers dat
onderscheid maken.
Henk van Os vindt een verschil tussen hoog en laag kunstmatig.
In de vijftiende eeuw, doceert hij, behoorden schilders tot het
gilde van meubelmakers. ‘Een volstrekt dienstbaar beroep.’
Pas in de achttiende eeuw werd de schilderkunst tot de hoogste
kunst uitgeroepen. Wie heden ten dage hiërarchie aanbrengt,
beoefent een onvruchtbare kunstgeschiedenis, meent Van Os. Hij
verzet zich dan ook altijd tegen de mensen die hem vanwege het
televisieprogramma Beeldenstorm een popularisator noemen. ‘Het
idee is dat de taal van de kunstgeschiedenis moeilijk, wetenschappelijk
of deftig is. Dat slaat nergens op. De meest wetenschappelijke
theorie kun je uitleggen aan de werkster. Als de taal toch moeilijk
klinkt, is dat obscurantisme. Dan wordt de taal misbruikt om de
kunst te reserveren voor de liefhebbers.’
Dat lijkt Paul Schnabel een mooi moment de discussie over hoge
en lage cultuur te besluiten. Deze was toch, beseft hij, gedoemd
te verzanden. ‘Voor je het weet kom je in een sociologisch
debat terecht over onderscheiding, terwijl het onderliggende idee
van kunst altijd is geweest om deze te verspreiden. Eerst moet
kunst naar mensen worden gebracht, maar zodra mensen zeggen: “Ja,
leuk, vind ik ook mooi”, zeggen degene die de kunst hebben
gebracht: “Ja, mooi, maar het is wel gemakkelijk”,
of: “Het is niet nieuw”.’
|
|